aantrokken
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- aan·trok·ken
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| aantrekken |
aantrokken
- (in een bijzin) meervoud verleden tijd van aantrekken
- ...dat wij aantrokken.
- ...dat jullie aantrokken.
- ...dat zij aantrokken.
- ...dat wij aantrokken.