aanliggen/vervoeging
Uit WikiWoordenboek
| vervoeging van de bedrijvende vorm van aanliggen | |||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| tegenwoordige tijd | verleden tijd | toekomende tijd | |||||||||
| enkelvoud | meervoud | enkelvoud | meervoud | enkelvoud | meervoud | ||||||
| ik | lig aan, (bijzin) aanlig |
wij, we | liggen aan, (bijzin) aanliggen |
ik | lag aan, (bijzin) aanlag |
wij, we | lagen aan, (bijzin) aanlagen |
ik | zal aanliggen | wij, we | zullen aanliggen |
| jij, je, u gij, ge |
ligt aan, (bijzin) aanligt |
jullie | liggen aan, (bijzin) aanliggen |
jij, je, u gij, ge |
lag aan, (bijzin) aanlag laagt aan, (bijzin) aanlaagt |
jullie | lagen aan, (bijzin) aanlagen |
jij, je, u gij, ge |
zal, zult aanliggen zult aanliggen |
jullie | zullen aanliggen |
| hij, zij, het | ligt aan, (bijzin) aanligt |
zij, ze | liggen aan, (bijzin) aanliggen |
hij, zij, het | lag aan, (bijzin) aanlag |
zij, ze | lagen aan, (bijzin) aanlagen |
hij, zij, het | zal aanliggen | zij, ze | zullen aanliggen |
| onvoltooid deelwoord | voltooide tijd | gebiedende wijs | aanvoegende wijs | ||||||||
| aanliggend | aangelegen hebben[1]/zijn[2] | lig aan, ligt aan | ligge aan (bijzin) aanligge |
||||||||
| onpersoonlijke lijdende vorm aangelegen worden | |||||||||||
| tegenwoordige tijd | verleden tijd | toekomende tijd | |||||||||
| er | wordt aangelegen | er | werd aangelegen | er | zal aangelegen worden | ||||||