aanhielden
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- aan·hiel·den
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| aanhouden |
aanhielden
- (in een bijzin) meervoud verleden tijd van aanhouden
- ...dat wij aanhielden.
- ...dat jullie aanhielden.
- ...dat zij aanhielden.
- ...dat wij aanhielden.