aanhef

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·hef
enkelvoud meervoud
naamwoord aanhef -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

aanhef m

  1. begin (muziekstuk).
  2. begin (boek of gedicht).
  3. begin (van een rede).
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
aanheffen

aanhef

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanheffen
    ... dat ik aanhef.