aanbleven
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- aan·ble·ven
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| aanblijven |
aanbleven
- (in een bijzin) meervoud verleden tijd van aanblijven
- ...dat wij aanbleven.
- ...dat jullie aanbleven.
- ...dat zij aanbleven.
- ...dat wij aanbleven.