aanbakte
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- aan·bak·te
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| aanbakken |
aanbakte
- (in een bijzin) enkelvoud verleden tijd van aanbakken
- ... dat ik aanbakte.
- ... dat jij aanbakte.
- ... dat hij, zij, het aanbakte.
- ... dat ik aanbakte.