aanbaden
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- aan·ba·den
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| aanbidden |
aanbaden
- meervoud verleden tijd van aanbidden
- Wij aanbaden.
- Jullie aanbaden.
- Zij aanbaden.
- Wij aanbaden.