Aussprache

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Duits

Uitspraak
  • IPA: /ˈaʊ̯sˌʃpʀaːχə/
Woordafbreking
  • Aus·spra·che
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

Aussprache v

  1. (zonder meervoud) uitspraak
    «Die Aussprache ist in Lautschrift angegeben.»
    De uitspraak is in fonetisch schrift weergegeven.
    «Man kann zum Beispiel eine gute, schlechte, deutliche, klare Aussprache haben.»
    Men kan bijvoorbeeld een goede, slechte, duidelijke of heldere uitspraak hebben.
  2. gesprek, bespreking, onderhoud
    «Sie hatten eine geheime/vertrauliche Aussprache
    Zij hadden een geheim/vertrouwelijk gesprek.
    «Er wünschte sich eine offene Aussprache
    Hij verlangde naar een open gesprek.
    «Sie bat ihm um eine Aussprache
    Zij wilde een gesprek met hem.
Verbuiging
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Uitdrukkingen en gezegden

[2] (spreektaal) (schertsend) eine feuchte Aussprache haben

  • Met consumptie spreken.
Afgeleide begrippen