Anstand

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Duits

Uitspraak
  • IPA: /ˈanʃtant/
Woordafbreking
  • An·stand
Woordherkomst en -opbouw
  • [1] Komt van het Middelhoogduitse anstand in de zin van "wapenstilstand; afstel, opschorting". Dit Middelhoogduitse woord is een deverbatief van an(e)stān in de zin van "tot staan komen; behoren, betamen".
  • [2] Komt van de oudere begripsbepaling van Anstand in de zin van "bedenking; uitstel, respijt".

Zelfstandig naamwoord

Anstand m

  1. (zonder meervoud) fatsoen, gevoeglijkheid
    «Sie haben viel Anstand gezeigt.»
    Ze hebben veel fatsoen getoond.
  2. (Zuid-Duits, Oostenrijks) moeilijkheid, gelazer, bezwaar
    «Wir hatten Anstände bei der Zollkontrolle.»
    We hadden moeilijkheden bij de douanecontrole.
    «Es hat keinen Anstand gegeben.»
    Er waren geen bezwaren.
  3. (jachttaal) standplaats
    «Der Jäger ging auf den Anstand
    De jager ging naar de standplaats.
  4. (jachttaal) het wachten op een standplaats.
    «Nach zweistündigem Anstand beendete man die Jagd erfolglos.»
    Na twee uur wachten op de standplaats beëindigde men de jacht zonder succes.
Verbuiging
Synoniemen
Hyperoniemen
Uitdrukkingen en gezegden

[2] (keinen) Anstand an etwas nehmen

  • Zich ergens (niet) aan ergeren.
Afgeleide begrippen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen