äußern

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Duits

Uitspraak
  • IPA: /'ɔɪ̯sɐn/
Woordafbreking
  • äu·ßern
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
äußern
/'ɔɪ̯sɐn/
äußerte
/'ɔɪ̯sɐtə/
geäußert
gə'ɔɪ̯sɐt/
volledig

Werkwoord

äußern

  1. zeggen